Jan Steen

Jan Steen werd in 1626 geboren als zoon van een Leidse bierbrouwer. Ook Jan Steen heeft dit vak enige tijd beoefend, in Delft. Succesvol is dit waarschijnlijk niet geweest, in tegenstelling tot zijn werk als schilder. De schattingen van de omvang van zijn oeuvre lopen uiteen van 250 tot 700 schilderijen. Gedurende een lange periode moet Jan Steen zo'n drie tot vier schilderijen per maand hebben gemaakt. Toch heeft hij vanaf 1672 ook nog een herberg in Leiden bestierd, vooral om een economisch moeilijke tijd te overbruggen. 

Zijn schilderscarrière startte, zoals in die tijd gebruikelijk, bij leermeesters. Achtereenvolgens waren dat Nicolaus Knüpfer in Utrecht, Adriaen van Ostade en Jan van Goyen. De laatste geen merkbare invloed op het werk van Steen gehad. Daarna ging Jan Steen als zelfstandige aan het werk. Dat betekende dat er vooral werd geproduceerd voor de vrije markt, wat de keuze van de onderwerpen zeker zal hebben beïnvloed.

zelfportret

Jan Steen trouwde in zijn leven tweemaal. Als eerste in oktober 1649 met Margriet, de dochter van zijn laatste leermeester Jan van Goyen. Zij stierf in 1669, waarna Jan Steen hertrouwde met Maria van Egmont. Uit de huwelijken werden in totaal vijf kinderen geboren, waarvan er twee ook schilder werden en een beeldhouwer.
Jan Steen heeft zijn hele leven in het westen van het huidige Nederland gewoond: na zijn leerperiode in Den Haag bleef hij daar wonen tot 1654. Na een kort brouwersavontuur in Delft woonde hij achtereenvolgens in Leiden, Warmond en Haarlem. In 1670 keerde hij terug naar Leiden, waar hij op 3 februari 1679 overleed en in het familiegraf in de Pieterskerk werd bijgezet.

Zijn oog voor het humoristische detail, zijn psychologisch inzicht, maar ook zijn kleurrijk palet en zorgvuldige techniek hebben hem een enorme populariteit geschonken. Hoewel Steen alle genres, van altaarstuk tot mythologisch tafereel, heeft beoefend, openbaarde zijn grote meesterschap zich pas werkelijk in de voor hem zo kenmerkende taferelen uit het dagelijks leven met een moraliserende ondertoon.

Soo voer gesongen, soo na gepepen -  1664
Met dit schilderij is de bekende uitdrukking "Een huishouden van Jan Steen" verklaard. De tekst waaraan het schilderij zijn naam ontleent staat op het blad papier dat de oude vrouw op het schilderij vasthoudt. Het is een spreekwoord: 'Zo de oude zongen, zo piepen de jongen'. Rechts leert een man zijn zoontje roken. Het is Jan Steen zelf die hier is afgebeeld. Ook de andere ouderen geven de jongeren het verkeerde voorbeeld.
In weelde siet toe - 1670
Een typisch 'Huishouden van Jan Steen'. Een slapende moeder links, een losbandig echtpaar in het midden en kinderen die zich nergens iets van aantrekken. Ook de dieren doen lustig mee: de hond op tafel en rechts een varken.De eend op de schouder van de man duidt erop dat de man lid is van de Quackers, een protestantse sekte die op deze wijze op de hak wordt genomen. De mand aan het plafond voorspelt dat het niet goed gaat aflopen met dit gezin. In de mand bevinden zich een kruk, roe en leprozenklepper. Het gezin staat straf, ziekte en armoede te wachten.

De dorpsschool - 1671
Behalve chaotische huistaferelen schilderde Steen nog meer van dit soort, op de lachspieren werkende, schilderijen. Deze schoolklas is toonbeeld van wanorde, terwijl de meester een punt aan zijn pen snijdt. Ook de oude onderwijzeres lijkt niet in staat de situatie ten goede te keren.
De strenge schoolmeester - 1667
Heel wat strenger dan op het schilderij 'De dorpsschool' gaat het er hier aan toe. Een werkend kind op de voorgrond, een ander die zijn werk laat nakijken (en waar het blijkbaar niet in orde is) en een paar die nog op hun beurt staan te wachten.

Dansende boeren voor een herberg - 1653

De krans boven de deur geeft het aan: de nieuwe wijn is gearriveerd. Boeren en burgers dansen buiten de herberg. De man met de rode muts is duidelijk al langer op dit feest aanwezig.
Schilderijen met afbeeldingen van het grove, lompe boerenleven waren geliefd bij de burgers. Zij zetten zich er tegen af, terwijl anderzijds het landleven ook weer werd verheerlijkt.

De rederijkers - 1664
Rederijkers vormden een bond gezelschap welke het culturele leven trachtten te verrijken met poëzievoordrachten en toneeluitvoeringen tijdens kermissen en concoursen. Links op het schilderij zijn de redenaar en dichter te zien. De redenaar wordt kritisch beluisterd door de criticus, rechts op het schilderij met de kan. Daarachter is de nar te zien, die het publiek moest vermaken en de dwaasheid van de mens aan de kaak stelde.

Het morgentoilet - ca. 1663
De monumentale poort geeft toegang tot de slaapkamer van een dame die haar kousen aantrekt. Of trekt ze ze juist uit? De striemen van de kousen staan immers nog in haar benen. En haar verleidelijke blik, de uitdagende manier waarop Jan Steen haar heeft geschilderd..... Ook andere elementen in de kamer zijn toespelingen op het bedrijven van de liefde: het slapende hondje, de kaars en de sloffen.
Maar de lichtzinnige wordt ook hier gewaarschuwd: het stilleven op de drempel duidt op de vergankelijkheid
Paar in een slaapvertrek - 1671
Het tafereel speelt zich af in een bordeel: een rode kous op de stoel duidt daarop. Er blijft in dit schilderij weinig te raden over: de man is al in bed gekropen en trekt de vrouw naar zich toe. Komisch detail is de slaapmuts die de man op zijn hoofd heeft gezet.
Bordelen vormden voor Steen en zijn tijdgenoten een belangrijk onderwerp, maar zo expliciet als het hier wordt weergegeven komt toch nauwelijks voor. Steen had duidelijk een vrijmoedige houding ten opzichte van seksuele ge- en misdragingen.